De Basiliek op de Koekelberg torent boven Brussel en is een van de grootste kerken ter wereld. Het gevaarte doet niet erg 20e-eeuws aan, maar is het wel: de bouw duurde 65 jaar en werd pas voltooid in …1970! Net toen de ontkerkelijking goed op stoom begon te komen. Als enorme ontkenning van dat feit lummelt het gevaarte sindsdien als loodzware stenen alternatieve waarheid op de heuvel en markeert op een enigszins teleurstellende wijze het einde van de Europese kathedraalbouw.
De bouw van de basiliek was te danken aan het Calimero-complex van Leopold II die in zijn staatje een hoofdstad met de grandeur van Parijs wilde maken. Ondanks al die royale ijver is dat nooit echt goed gelukt. Brussel werd onhandig en liefdeloos doorsneden met boulevards à la Hausmann, maar de bebouwing bleef ver achter bij die van Parijs Het is net alsof overtollige bouwmaterialen en ontwerpen van de Franse hoofdstad lukraak langs de lange wegen werden neergezet. Ook prestigieuze projecten zoals het justitiepaleis en de triomfboog in het Jubelpark konden niet verhelen dat Brussel altijd een net-niet karakter bleef houden. Leopold maakte zijn plannen natuurlijk niet zelf, maar faciliteerde de verwerkelijking van ideeën van Victor Besme. Daaronder was ook het idee voor bebouwing van de Koekelberg.

De koning wilde daar eigenlijk een pantheon plaatsten, maar voelde na een bezoekje aan de Franse hoofdstad toch meer voor een nationale basiliek á la de Sacre Coeur. Dat alles in het kader van de 75e viering van de Belgische onafhankelijkheid (van Nederland, niet van de RK kerk). In 1905 volgde de eerstesteenlegging, maar kort daarop stierf de koning en zorgde de Eerste Wereldoorlog voor oponthoud. Na de oorlog werd het werk, ijverig ondersteund door enkele kardinalen, weer opgepakt.


Het oorspronkelijke ontwerp voor een neogotische mammoet werd echter als archaïsch verworpen zodat een nieuw ontwerp van de nog onbekende Gentse architect van Huffel werd omarmd. Het schijnt dat deze beslissing tot stand kwam zonder dat er politieke of ideologische redenen centraal stonden. Voor Belgie een unieke situatie! En dat uitgerekend voor de bouw van een nationaal monument. Dat had te denken moeten geven….
Belgium first
De bouw duurde van 1905 tot 1970. Naast de crisis en WO II zorgden ook geldproblemen voor oponthoud. Aflaten waren niet meer actueel, zodat veel geld werd opgehaald door jaarlijkse ‘omhalingen’ . Naast dit zuurverdiende nationaal geld van de beminde gelovigen werd voor het interieur van een nationale basiliek natuurlijk ook gebruik gemaakt van nationale bouwmaterialen: Naamse steen, bakstenen en een keramische steen die gelig van kleur is. Die laatste als vervanging voor Bourgondische steen die als niet-Belgisch door de politiek werd afgewezen. Ondanks die strikte Belgie-first benadering lijkt het resultaat toch meer op Tolkiens Midden-Aarde dan het geïdealiseerde vaderland. Een verdwaalde ork zou er beslist niet opvallen.
Oisterwijks Eiken
Opvallend zijn de bovenkanten van de zuilen die bovenaan meestal een opening hebben die -pragmatisch als het katholicisme is- wordt gebruikt voor allerlei stiekeme praktische zaken. Naast enorme sombere baksteenpartijen domineren gelige, enigszins glanzende keramische stenen het interieur. Ze hebben een plastisch karakter waardoor het hele ontwerp een beetje doet denken aan de befaamde Oisterwijks eiken meubels uit de jaren ’70, zowel wat kleur als vormgeving. Het is onbekend wie wie heeft geïnspireerd.



Kraftwerk geloof
Ook het uiterlijk heeft weinig feestelijks in petto en het ding maakt door de zware baksteen een verstikkende indruk. Donker, zwaar maar vooral heel gewoontjes. De neerdrukkende mix van sombere elementen had ook prima gepast bij een willekeurig vestingwerk, kantoorgebouw of een fabriek waar ze enge dingen maken. Als er in 1920 al kerncentrales hadden bestaan, dan hadden die er waarschijnlijk net zo uitgezien.



Van dichtbij valt het op dat er verrassend weinig ornamenten en beelden aanwezig zijn. We moeten het doen met vier griezelige heiligen, een Jezus, en aan de achterzijde nog een heiland, dit keer aan een betonnen kruis. Afgezien van de materiaalkeuze geen verrassende boodschap. De saaiheid en voorspelbaarheid van het ontwerp worden ruimschoots gecompenseerd door het intimiderende karakter. Als het geloof een boodschap van vreugde uitstraalt, dan is dat in ieder geval niet in deze architectuur te bespeuren.


Veel reden tot vreugde is er dan ook niet. Het ding geeft namelijk op z’n zachts gezegd een ietwat vertekend beeld van de rol van de katholieke kerk in het huidige België. Ondanks alle inspanningen van het integere deel van de katholieke geestelijkheid is die inmiddels weggesmolten als een ijsje in een kleuterhand. Met dezelfde kleverige troep als resultaat trouwens. Die situatie wordt hier koppig ontkend waardoor het monster als een megalomane infantiele alternatieve waarheid slaafs zijn verjaarde boodschap uitdraagt.
Size matters
Groots is het dus allemaal niet, maar wel groot. Belachelijk groot zelfs. En dat is maar goed ook want dat misschien is dat het enige waarin het ding echt geslaagd is: de religieuze dinosaurus staat bekend als het grootste art deco gebouw ter wereld! Size matters. Ook in de kerk. Al met al een soort Trumpiaanse overwinning waarmee aartsracist Leopold II beslist tevreden was geweest.
Ook wat betreft de nationale functie is er iets positiefs te melden: Gezien het feit dat het ding bij zijn uiteindelijke oplevering geen enkele binding meer had met de realiteit is het eigenlijk een soort Groot Nutteloos Werk. En een toepasselijker symbool voor België bestaat er natuurlijk bijna niet!
Wat je ermee kunt is een vraag voor het tweede deel. Laten we daarom even een tussenbalans opmaken. Allereerst is het is de laatste grote basiliek in Europa, naast de Liverpool Cathedral (1933) en natuurlijk de nog steeds niet afgebouwde Sagrade Familia in Barcelona. Daarmee markeert hij, nogal opzichtig het eind van en tijdperk. En hoe teleurstellend dan ook, dat einde van die grote Europese traditie van kathedraalbouw is zonder meer iets om bij stil te staan.

















