
Artikel in Erfgoed van industrie en techniek (2010). Hoe werd er omgegaan met bunkers in hun nieuwe rol van cultuurhistorische objecten? En welke rol speelde de opvattingen over de geschiedschrijving van WO II in dat proces?
M.A.Jansen, Afhankelijk van de geschiedschrijving, Ergfoed van Industrie en techniek, 2010, 12-18.

Deze scriptie beschrijft hoe bunkers als objecten voor wetenschappelijk onderzoek werden ontdekt en wie de hoofdrolspelers waren. In het tweede deel wordt ingegaan op welke rol de visie op WO II speelde op hun waardering en hoe deze de uiteindelijk bescherming beïnvloedde. Tenslotte wordt betoogd dat bunkers niet zozeer ‘schuldig objecten’ zijn , maar gedurende hun helle bestaanstijd een nuttige rol hebben vervuld.
Leeswijzer:
Wie meer wil weten over het ontstaan van bunkers en hun verspreiding in Nederland heeft vast een hoop plezier met het het informatieve eerste hoofdstuk (11-17).
Wie wil weten hoe de bunker als cultuurhistorisch object op de kaart verscheen en welke acteurs daar een sleutelrol in speelden verwijs ik naar het tweede hoofdstuk.(20-55). Tevens bevat dit een gedetailleerde analyse over het samenspel tussen onderzoekers, belangenvereniging en monumentenzorg ahv. uitgebreid archiefonderzoek. Ook de consequenties van het bestaan van Duitse en Nederlandse bunkers wordt binnen dit kader belicht.
Wie wil weten of morele dillemma’s een rol speelden bij de omgang met bunkers raad ik het wat meer gekruidde derde hoofdstuk aan. (56-einde). Hier worden bunkers niet meer behandeld als cultuurhistorische objecten maar als objecten binnen de cultuurhistorie. Door die transformatie kunnen ze binnen het raamwerk van mentaliteits- en ideeëngeschiedenis als een gesloten geheel van betekenis worden voorzien.
Wie tenslotte benieuwd waarom je je überhaupt met zoiets als bunkers bezig zou houden kan daar in de epiloog een hopelijk bevredigend antwoord op krijgen.
Samenvatting:
De eerste publicaties verschenen eind jaren ’70. De belangrijkste actoren werden gedreven door neutrale architectonische criteria waarbij geen rekening werd gehouden met de gevoelige historische dimensie. Die aanvankelijk algemene belangstelling hield dan ook geen gelijke tred met hun bescherming door de verdeling in Duitse en Nederlandse bunkers. Maar ook in die laatste groep werd er een onderverdeling gemaakt op grond van de rol die ze speelden in de gevechten in mei 1940. Dat was in hoge mate het gevolg van de activiteiten van de Stichting Menno van Coehoorn (MVC) die een belangrijke rol speelde bij het adviseren over wettelijke bescherming. Deze vereniging benutte de kennislacunes die er bij de rijksdienst voor monumentenzorg waren ontstaan op geraffineerde wijze. Het blijkt echter dat deze stichting lang gevangen bleef in een goed en fout schema zodat er een topografie van bescherming ontstond die meer geleid werd door een groepsgebonden en archaïsche opvatting over WO II dan een objectgerichte en cultuurhistorisch representatieve verdeling. De opkomst van het internet zorgde voor een steeds persoonlijker opvatting over geschiedenis en verdeelde de omgang met het jonge erfgoed over vele spelers zodat er een versplinterd beeld ontstond.
Daarnaast ontmythologiseert deze scriptie vermeende morele dillemma’s bij de omgang met de betonnen resten van de bezetting. Zij toont dat bunkers nadrukkelijk niet werden gesloopt omdat ze een ‘schuldig verleden’ vertegenwoordigden. Sloop had vooral een praktische reden en pragmatisch hergebruik van de Duitse erfenis was eerder regel dan uitzondering.
In dat licht waren bunkers eerder nuttig dan schuldig. Nuttig waren bunkers immers altijd: in de oorlog voor de bouwondernemers, na de oorlog voor defensie en staat, en vanaf de late jaren ’90 als objecten om een al dan niet nationaal gedragen visie op het verleden aan op te hangen. Een objectieve blik op deze objecten behoort nu (2008) nog niet tot de mogelijkheden. Al die activiteiten leiden er echter toe dat zij hun rol als ruïne maar kort konden vervullen.
Voor deze scriptie werd geput uit het archief van MVC, het krantenarchief van H. Sakkers en gesprekken met onderzoekers van het eerste uur. Daarnaast bevat hij een overzicht en beschrijving van de in Nederland gebouwde werken en de beschikbare literatuur(2008).