De telefooncel.

Wie wil bellen doet dat tegenwoordig mobiel. Overal, ook waar vroeger een telefooncel stond. Een telefooncel, wat was dat? Even voor de leden van de Pech-Generatie: voordat een telefoon een ding was waar je spelletjes mee kon spelen, aan verslaafd kon raken, schulden mee kon opbouwen en mee worden afgeluisterd was het een instrument om op afstand met andere mensen te praten. Enorm handig als je niet op schreeuwafstand was.

Omdat niet iedereen zo’n ding kon betalen werden er al snel openbare toestellen geplaatst waar je tegen een vergoeding kon bellen. Om ze tegen weer en wind te beschermen werden ze in een hokje geplaatst: de telefooncel.

Standaardtelefooncel van architectenbureau Van der Vlught. Spoorwegmuseum.

Die hokken stonden overal op goed bereikbare punten in de openbare ruimte. Reuze handig natuurlijk. Maar bij de planning van deze openbare voorziening was het werk- en denk niveau van jongeren niet meegenomen. Een noodlottige fout. Want net zoals een mobiele telefoon werd ook een telefooncel door jongeren voor alles gebruikt. Behalve bellen.

De cel bleek vooral een goed bereikbare plek die optimaal was toegerust om de verlangens die verveelde adolescenten op straat ontwikkelden te bevredigen. Je kon er prima afspreken zodat er altijd wel wat lamlendige pubers rond de cel hingen. En zo’n groepje breidde zich sneller uit dan hun pukkels.

Zonder hinderlijke ouders of opvoeders kon je daar louter door je aanwezigheid bezoekers hinderen die daar een telefoontje wilden plegen. Eindelijk waargenomen!  Dit was natuurlijk een waardevolle bijdrage aan de hopeloze zoektocht naar erkenning, waarneming en waardering die de ongelukkige leeftijdsgroep meestal geheel terecht meestal ontzegd wordt. Dat aldus opgewekte zelfvertrouwen werd omgezet in meetbaar gedrag dat met volle kracht op de bezoekers én het gebouwtje werd overgedragen.

Was een argeloze telefoneerder in het Glazen Huis gekomen, dan kregen diet niet het respect dat hun Radio-3 DJ collega’s tegenwoordig ten deel valt. Ze stonden in he TL-licht te kijk als een aap in de dierentuin en waren weerloos tegen alle reacties die hun aanwezigheid in de onvoltooide puberbreinen opwekte.  Omdat woke nog toekomstmuziek was, leverden uiterlijke kenmerken, echt of vermoed, legitieme inspiratie om de gevangen bellers met leuke spitsvondigheden eens flink in het zonnetje te zetten.

Het telefoneren was, naast al dat intimiderende gekijk, sowieso al een dehumaniserende bezigheid. Het apparaat slikte alleen muntjes die je op de een of andere manier uit een kledingstuk op moest opvissen. Ze vielen onvermijdelijk op de altijd gore bodem zodat je je met de hoorn aan je oor in de nauwe ruimte in de meest onmogelijke bochten moest wringen om het ding tussen de peuken, kauwgumpjes, frietresten of een overjarige hondendrol uit te vissen.

Ook het nummer kiezen was een kwelling. Er hing een grote rij telefoonboeken waar je, volgens een jaarlijks, en waarschijnlijk ook per cel wisselend, systeem kon proberen bij een naam als De Vries de bijpassende getallenreeks te vinden. Ze hadden de neiging om na al dat geploeter weer spontaan terug te klappen in ruststand zodat alles weer opnieuw kon beginnen. Al met al een aantal fijne handelingen om onder het oplettende en intimiderende kijk van de lokale hangjeugd te verrichten.

Het was trouwens de vraag of de boeken ze er nog hingen. Want na zonsondergang begon de cel pas echt als magneet te werken. Telefefoonboeken waren de enige vorm van lectuur waar de gemiddelde hangjongere respect voor had. Je kon ze opleuken door er teksten als KUT+LUL=Neuken in en op te schrijven en de bladzijden eruit te rukken. Echte durfals pakten gewoon hun aansteker en zetten het hele zaakje in de hens. De telefoon zelf was extreem massief uitgevoerd. Tegen inbraak natuurlijk, niet uit respect voor de bellers. De schade bleef meestal beperkt tot een verbogen draaischijf of poëtische aan de biologieles ontleende teksten. Die weerstand leverde natuurlijk de nodige wrevel op zodat de gefrustreerde puberbreinen zich met volle kracht op de hoorn richtten die in de nachtelijke uren op alle mogelijke manier werd verkracht. De daar toch al rijkelijk aanwezige biotoop van mondbacteriën zal een flinke voedingsbodem hebben gekregen door gefrustreerd spugende, pissende en brakende adolescenten die op deze manier hun passende bijdrage aan de samenleving leverden. Op een enkele krietiese soosjooloog na zal de gemiddelde brave beller die ‘s ochtends naar zijn tante wilde bellen dat stukje schoonheid van het opgroeiproces maar matig hebben gewaardeerd.

In het buitenland zijn openbare telefoons nog in gebruik. Meestal zonder hokje. Gelukkig heeft dat geen invloed op de creatieve inspiratie die zo’n ding opwekt. Hier een Berlijns exemplaar.

Het onvermijdelijke eindpunt van het korte bestaan van de communicatievoorziening was natuurlijk het ingooien van de ruiten-vaak samen met die van het bushokje. Omdat er nergens camera ’s hingen bleef de telefooncel zo vaak de enige cel die de jeugdige creatievelingen ooit van binnen zagen. Het verkoolde stalen karkas kreeg dan bezoek van de opknapploeg zodat het hele feest weer van voren af aan kon beginnen.

De mobiele telefoon maakte de cellen al gauw overbodig. De telefooncel vervangen door de cell-phone en de huizenprijzen in de omgeving sprongen omhoog.

De Nederlandse telefooncel is dus passé. Geen lichaamsbeweging meer, geen ontplooiingsmogelijkheden en geen sociaal contact… Dubbele pech voor de jongeren van de pech generatie? Integendeel. Met een mobiel kun je ook lekker samen hangen, en je omgeving terroriseren. Muziek uit blikkerige speakertjes maakt verdere communicatie overbodig. En al dat moois niet meer op een vastgelegde plaats, maar gewoon overal waar de overlast maximaal beleefd wordt. Veel beter dan bij de telefooncel dus!


De eerste Nederlandse telefooncel werd in 1931geplaatst. Als snel breidde het aantal zich uit. Standaardmodel werd de bekende glazen PTT cel die werd ontworpen door architectenbureau Brinkman van der Vlught. De eerste werd in 1932 geplaatst op Vredenburg in Utrecht. Het glazen nieuwe zakelijkheid hokje kreeg in 1965 die gezelschap van de 1100 cel die vandalismebestendiger zou moeten zijn (foto links). Of dat lukte is de vraag, maar het ding werd in ieder geval steeds groener. Vanaf de jaren ’80 werd de groene driehoekige cel een bekende verschijning. De ruiten waren nu van kunststof, naar gelukkig bleek je die in hun geheel uit de sponning te kunnen trappen zodat zodat en leuke avond gewaarborgd bleef. Wie wil beleven hoe het vroeger was moet goed zoeken. De laatste telefooncellen bevinden zich onder meer op station Heerlen en het Spoorwegmuseum. Bellen kan er niet meer maar er is wel wifi. En natuurlijk kunnen ze nog steeds stuk.

Uitnodigende driehoekige telefooncellen bij Station Eindhoven, 2002.
MAJ's avatar
MAJ

Een reactie op “De telefooncel.

Plaats een reactie