Parkeergarages zijn boeiende functionele gebouwen die op architectonisch gebied het slechtste in de mens losmaken. Als Dante in het bezit van een auto was geweest had hij zijn Hel beslist in een parkeergarage gesitueerd. De Springweg garage is beslist geen uitzondering op die regel en de schrijver van de Goddelijke Komedie had het er absoluut naar zijn zin gehad.




Ooit bestond er een plan om Utrecht beter voor de auto geschikt te maken. Zo zou een aantal brede autowegen door binnenstad worden gebroken om de singels (ook als autobaan gedacht) met elkaar te verbinden. Al dat breken had het het doel de positie van de altijd angstig klagende middenstand te verbeteren. Om die vloed van voorspoed te faciliteren waren enkele parkeergarages gepland om het winkelende publiek van een passend onderkomen voor hun stalen ros te voorzien.
De doorbraken kwamen er nooit, maar als vingeroefening werd alvast een van de parkeergarages gerealiseerd. Hij ligt sindsdien als een dampend gedrocht in het middeleeuwse stratenpatroon tussen Springweg en Oude Gracht. Die oude infrastructuur was natuurlijk niet toegerust voor efficiënt autoverkeer uit de late 20e eeuw. Zo zorgt de garage al jarenlang voor overlast door auto’s die massaal door de nauwe straten richting logeeradres rijden. Een gemiddelde middeleeuwer wist dat je de duivel vooral aan zijn geur kon herkennen, en hij had het walmende betonen gedrocht dan ook onmiddellijk kunnen thuisbrengen. Het is onbekend of – behalve hun auto’s- ook de planners al een welverdiend plaatsje in deze hel hebben gekregen.


Laten we dat geïsoleerde restje vooruitgangsoptimisme maar eens wat nader bekijken. Het ding doemt als een somber grijs-zwart blok op uit de omgeving. Grof gewassen grindbetonnen wandelementen in een schuine stand, stalen hekken en als toetje uit betonsteen opgetrokken hoektorens. Het omringende stukje stad bevindt zich-waarschijnlijk door het associale gedrag van deze betonnen gast- nog steeds in een haveloze staat die je tegenwoordig zelden meer aantreft.



Een hel met pisbak
Dat uiterlijk is natuurlijk om van te smullen, maar de binnenkant is minstens even spannend. Een volkomen versleten maar nog in originele staat verkerend betonnen trappenhuis met verschoten vensters en een lift volgeplakt met graffiti der verdoemden. De plafonds hebben zelfgeknutselde buizen en bestaan nog grotendeels uit troosteloze synthetische riet-tegels. Misschien is het een idee om er op Culturele Zondagen een soort jaren ‘80 re-eneactment te organiseren door er een stel junks in te parkeren. In afwachting daarvan maakt de doordringende pislucht de beleving trouwens ook al behoorlijk compleet. Waarschijnlijk heeft die zo aanstekelijk gewerkt op bezoekers dat de gemeente een vrolijk Dick Bruna pisbakje bij de ingang neergezet heeft. Het beteuterd nadruppelende jongetje is waarschijnlijk een van de hoofdpersonen uit Nijntje in de par-keer-ga-ra-ge.



Dante had Vergilius als metgezel op zijn tocht van de hel naar de berg der loutering. Wij moeten het blijkbaar met Dick Bruna doen. In deze simplistische omgeving is dat overigens best gepast. Klim je de haveloze trappen op dan wordt je op het dak beloond met een troosteloos panorama. Het vagevuur in optima forma! Grindbeton, eeuwig brandende TL-buizen, kapot asfalt en altijd wel een waterplas. Al die obsolete bouwmaterialen wachten geduldig op verlossing. Gelukkig komt die snel, want in 2028 wordt de garage gesloopt. Hij maakt waarschijnlijk plaats voor appartementen-zowel koop als huur.
Het duurt nog even, dus er is geen haast bij als je deze culturele prestatie uit 1974 eens op je gemak wilt beleven. Maar… er wordt al nagedacht over een herbestemming voordat er definitief gesloopt gaat worden. Beklim deze betonnen louteringsberg dus voor het te laat is en geniet nog snel van de sfeer en het magnifieke uitzicht. Na het geplande exorcisme door de slopers is dit straks gewoon een mooi stuk stad en zijn de verdoemde bewoners verlost van hun jarenlange kwellingen. Na een lange lijdensweg toch nog… in Paradisio.
Parkeergarage Springweg: in 1974 geopend. In 1993 voorzien van de (gedeeltelijke) ingangsomlijsting van de voormalige Raiffeisen Bank aan de Oudenoord. Tufsteenenreliefs van de beeldhouwster Gerada Rueter (1904-1993). Het portaal bevatte ooit 2 andere beeldhouwwerken van beeldhouwer A. Termote, genaamd voorzichtigheid en betrouwbaarheid. Ze verbeeldden (sic) het bankwezen maar zijn- heel toepassellijk- in 2008 weggehaald wegens bouwvalligheid. Net zoals veel ander banken in dat jaar trouwens.
De Poort
Enigszins contrasterend staat naast de inrit een enorme poort die zo uit de Efteling geleend lijkt te zijn. Hij hoort dan ook niet bij het oorspronkelijke ontwerp. Het is een schepping van beeldhouwster Gerarda Rueter die vroeger de ingang van de coöperatieve Raiffeisenbank aan de Oudenoord sierde. Na de sloop moesten de reliëfs ergens worden ondergebracht, en om ondoorgrondelijke redenen koos men voor deze godvergeten locatie. De reliëfs gaan over het natuurlijke landleven: varkens, schapen en kippen. Daarnaast zijn er allerlei leuke landbouwproducten zoals bieten, worsten en kazen. Al dat fraais verbeeldt de harmonieuze verbinding tussen mens en natuur. Dat zullen boeren tegenwoordig niet vaak meer horen en je associeert dat ook niet direct met de functies van een parkeerburcht.
Desondanks zijn ze tenminste érgens terechtgekomen. Ze bestaan echter uit tufsteen en kwijnen weg onder kwalijke dampen als omlijsting van het voorportaal van de hel. Je vraagt je daarom wel af wat ze misdaan hebben om hier te belanden. Misschien heeft een profetisch begaafde ambtenaar rond 1993 een visioen gehad waarin hem het toekomstige verband tussen stikstof, agrariërs en verkeer werd geopenbaard en destijds al passende maatregelen getroffen.
Sloop in 2028. Intussen wordt er nagedacht over een tijdelijke herbestemming. „Een daktuin, een rooftopbar, ateliers, er kan vast wat’’, 1twittert een D66 raadslid1 . Ik verbind het woord twitteren altijd met gekwetter van naïeve vogeltjes en dat lijkt me hier weer prima bevestigd. Een parkeergarage is een tochtig betonskelet en is alleen geschikt voor auto’s, niet voor mensen. Zelfs niet voor kunstenaars. Ik verplaats me even in het werk- en denkniveau van het raadslid en suggereer een functie als trouwlocatie.





